23 juni 2016

Preventie radicalisering niet op orde

Staatssecretaris Van Rijn is zijn belofte uit 2015 om het welzijnswerk hoog op de agenda te zetten bij de aanpak van radicalisering niet nagekomen. Er is nog steeds veel onduidelijkheid op de werkvloer van welzijnsorganisaties als het gaat om het signaleren en voorkomen van radicalisering. Samenwerking met andere instanties, een helder beleid en specialistische expertise ontbreken. Dit blijkt uit een steekproef onder vijftig welzijnswerkers van CNV Zorg & Welzijn.

Welzijnswerk onvoldoende benut

Volgens alle welzijnswerkers kunnen zij een wezenlijke bijdrage leveren aan het voorkomen van radicalisering, maar daarvan wordt amper gebruik gemaakt.
Van de respondenten zegt 43 procent dat hun organisaties niet samen te werken met scholen, gemeenten, verenigingen en andere instellingen. Bijna 90 procent heeft geen scholing of training gevolgd over hoe om te gaan met radicalisering en voor de helft is het onduidelijk hoe de organisatie om gaat met beginnend radicaal gedrag. Er is verdeeldheid over de vraag of iemand die signalen vertoont van beginnende radicalisering begeleid moet worden door iemand uit dezelfde cultuur of met dezelfde achtergrond.

Extra alert

Welzijnswerkers herkennen beginnende radicalisering vooral door een combinatie van gedragingen. Uitspraken, het netwerk of de vriendenkring en in mindere mate de uiterlijke kenmerken zijn redenen om extra alert te zijn. De respondenten geven aan wat zij nodig hebben om beter beginnende radicalisering te kunnen signaleren: meer scholing en training (35%), betere ondersteuning en samenwerking met andere organisaties (20%) en meer collega’s met specialistische kennis (16%) zijn de meest gegeven antwoorden.