29 september 2017

Een sterfgeval went nooit

Verpleegkundige Lily Rijpkema werkt al tientallen jaren in de gezondheidszorg. Daar horen plezierige momenten bij, maar ook minder vrolijke. Doodgaan hoort bij het leven, luidt het gezegde, maar zelfs voor iemand met zoveel ervaring als Lily went het nooit, blijkt uit deze eerste column van haar hand.

Het went nooit

Met een klik sluit het tuinhekje. De korte weg naar de voordeur is niet lang genoeg om mijn gedachten te ordenen. De mondelinge overdracht van mijn collega was heftig. Een nieuwe patiënt in de avonddienst. Een jonge vrouw, in het laatste stadium van een dodelijke ziekte. Op verzoek van de huisarts een ‘controlemoment’ zoals dat heet. Zélf hebben ze niet om hulp gevraagd. Wat zal ik aantreffen?

Ik bel aan, hoor kinderstemmetjes. Een jonge man doet open. Een beetje onwennig laat hij me binnen en wijst naar de serre. Ik loop naar het verpleegbed dat voor de openslaande deuren naar de tuin staat. Ik zie haar liggen, tot op het bot vermagerd. Grote blauwe ogen in een spits gezicht. Een hoofddoek maskeert haar kale schedel, haar haren weggevreten door de chemo. Ik pak voorzichtig haar hand, voel haar botjes onder mijn duim bewegen. ‘Ik heb zo’n dorst’ fluistert ze. Haar gebarsten, roodomrande, lippen bewegen amper. Haar vuurrode tong ligt zwaar en dik in haar droge mond. ‘Wil je water?’ vraag ik. ‘Nee, fluistert ze, dat mag ik niet.’

column-Lily-Rijpkema-een-sterfgeval-went-nooit
Foto: Fotostudio87

Haar echtgenoot komt schoorvoetend dichterbij. ‘Ze mag geen water drinken. Ze mag maar 100 ml bietensap per dag van de natuurgenezer.’ ‘Natuurgenezer?’ roep ik. ‘Je gaat dood! En het is misdádig om je water te onthouden.’ Ik moet me beheersen, mijn argumenten doen er niet meer toe. ‘Het is verboden, water vermindert de werking van het bietensap.’ fluistert ze. Hij knikt weifelend.

Ik kijk haar aan, kijk hem aan. Ik voel mijn tranen branden. Hoe erg vind ik dit, hoe erg vind ik het om deze jonge vrouw valse hoop op genezing te zien hebben. Hoe erg vind ik om te zien dat haar lijden verergert door deze dubieuze therapie. ‘Mag ik wel je lippen natmaken?’ vraag ik? Ze knikt. Ik pak een gaasje, drenk het in fris water en dep haar lippen. Ze vecht zienderogen tegen de drang aan het natte gaasje te gaan zuigen. Ik wend mijn blik af, geef haar alle gelegenheid. Dit is het minste dat ik kan doen. ‘Bel me asjeblieft als jullie me nodig hebben.’

Met deze standaardwoorden neem ik afscheid. Wat kan ik anders? Ik weet bijna zeker dat ze dit niet zullen doen. Met een steen in mijn maag stap ik op de fiets naar een volgend adres. Het went nooit.

Lily Rijpkema is verpleegkundige in Utrecht